"Elizabeth Odair!" Natuurlijk. Het was te verwachten. Met een onverschillig, bijna verveeld gezicht loop ik naar voren. Mijn lange, zilveren jurk wappert om mijn benen en mijn hakken maken een akelig luid tikgeluid op het nu doodstille plein. Iedereen wist dat dit ging gebeuren. Want wat is er nu dramatischer dan het kleine zusje van Finnick Odair, het meisje waarvoor hij alles deed om terug naar District 4 te komen, dat nu zelf in de Hongerspelen voor haar leven zal moeten vechten? Niets. Helemaal niets. En daarom besluit het Capitool mij nu, met mijn vijftien jaar, aan de Hongerspelen te laten deelnemen. Tegen de tijd dat ik bij het podium aankom is het nog steeds doodstil op het plein. Nu word het moeilijk. Alles wat ik nu niet wil, is mijn broer aankijken. Maar hij zit op het podium, tussen de andere winnaars van District 4. En op dat podium moet ik zijn, om mijn gezicht aan District 4, de camera's van het Capitool, de televisie's van heel Panem te laten zien. En dus haal ik diep adem, concentreer me volop op de traptreden van het podium, en als ik er eenmaal ben, draai ik me zo snel om dat Finnick niet eens de kans krijgt om op welke manier dan ook contact met mij te maken. Een fractie van een seconde nadat ik me heb omgedraaid, vraagt Ally Wizmen, de overenthousiaste vrouw uit het Capitool die de namen voorleest, of er nog vrijwilligers zijn. Kom op, denk ik als niemand haar hand opsteekt. Niemand? En op het moment dat ik dat denk, grijpt Ally mijn hand vast, vraagt om een applaus voor onze nieuwe meisjestribuut dit jaar en neemt met genoegen het aarzelende applaus in ontvangst. Dan waggelt ze op haar veel te hoge, felblauwe hakken naar de jongensnamen om daar een tribuut uit te trekken. En als ze de naam opleest, lukt het me niet langer mijn onverschillige houding aan te houden. Sterker nog, mijn mond valt open van protest. "Isaac Neville!" Isaac Neville. Mijn beste vriend. Ik zie zijn grote, gespierde gestalte langzaam naar voren lopen. Het zonlicht dat overdag altijd over District 4 waakt valt op zijn blonde haar, dat precies dezelfde kleur heeft als mijn haar. Glinsterend goudblond, met plukjes zilverblond, verkleurd door de felle zon. Een beetje hopeloos kijkt Isaac naar me op, terwijl hij de stenen trap van het podium beklimt. Als hij er eindelijk staat, vraagt Ally om vrijwilligers (die er overigens weer niet zijn) en na het applaus vraagt ze Isaac en mij om elkaars hand te schudden. En dat doen we. Niet waar. We doen meer. We klampen ons aan elkaars handen vast, alsof we elkaar uit deze vreselijke situatie kunnen redden.

Diep in gedachten zit ik voor me uit te kijken. Ik zit in de eetcoupe van de trein die ons naar het Capitool zal brengen. Mijn zilveren jurk en hakken heb ik ingeruild voor een spijkerbroek, een zwart topje, een zwart vest en comfortabele schoenen. Het enige wat ik heb laten zitten is de lage knot in mijn haar, die Annie Cresta, een winnares uit District 4 en de vriendin van mijn broer, er zo zorgvuldig in had gedaan. Met een uitdrukkingsloos gezicht bekijk ik de coupe waar ik in zit. De glanzende tafels en stoelen, de zijden gordijnen, het fluwelen tapijt. Ik ben hier al zo vaak geweest. Sinds mijn ouders vijf jaar geleden allebei overleden, heeft Finnick me geen enkele Hongerspelen alleen in ons nieuwe huis in de Winnaarswijk thuisgelaten. Als ik vroeg waarom, zei hij dat hij bang was dat ze mij iets zouden aandoen. Eerst begreep ik niet wat hij daar precies mee bedoelde, maar toen ik een jaar of dertien was, heeft hij het me helemaal uitgelegd. Ik herinner me die avond nog alsof het gisteren was. "Finnick?" "Ja." "Als jij naar het Capitool moet om mentor te zijn, zeg je altijd dat je me meeneemt omdat je bang bent dat ze mij iets aandoen. Wat bedoel je daarmee?" Finnick kijkt op van het boek dat hij aan het lezen was en zijn prachtige, zeeblauwe ogen vinden de mijne. Finnick en ik hebben papa's ogen. Onze vader was een grote, gespierde man, met bronskleurig haar, zeeblauwe ogen, een goudbruine huid en een lief, zorgzaam gezicht. Finnick lijkt op hem. En ik lijk op mama, die altijd straalde met haar lichte huid die maar nooit bruin wilde worden, haar slanke figuur, haar hartvormige lippen en haar lange, goud- en zilverblonde haren. Het enige wat ik niet van haar heb geërfd zijn haar donkerbruine ogen, die altijd vol liefde toekeken hoe mijn vader viste, hoe Finnick de longen uit zijn lijf zwom of hoe ik mijn broer achterna probeerde te gaan, zo lang achter elkaar dat hij uiteindelijk terug moest zwemmen om ervoor te zorgen dat ik niet verdronk. Een fractie van een seconde lijkt Finnick niet te weten wat hij moet doen. Dan legt hij zijn boek weg en pakt mijn handen vast. "Elizabeth..." zegt hij. Dan kijkt hij me doordringend aan. "Elizabeth, ik heb je wel eens verteld dat het Capitool dingen van mij vraagt. Dingen die ik zelf niet leuk vind, maar waar zij veel geld aan verdienen. Weet je dat nog?" Zwijgzaam knik ik. Dat weet ik inderdaad nog. Hij vertelde het me ongeveer drie jaar geleden, vlak nadat onze vader was gestorven. Hij was zestien en moest ineens naar het Capitool. Hij had mij bij Mags, een oude winnares, achtergelaten en zei dat ik me vooral geen zorgen moest maken. "De eerste keer dat ze mij vroegen die dingen te doen, zei ik nee. Ik was vijftien jaar. Kort daarna stierf mama. Vergiftiging, zeiden ze. En ik geloofde het." Even houd hij op met praten. Finnick en ik praten nooit over de dood van onze ouders. Het is een veel te zwaar verlies. "Ongeveer drie maanden nadat mama overleed, vroeg het Capitool me weer die dingen te doen. En opnieuw zei ik nee. Ik was pas zestien. Maar kort daarna, stierf onze vader ook. Zomaar, uit het niets. En toen begreep ik het. Ik kon niet zomaar nee zeggen tegen het Capitool zonder iemand te verliezen die me dierbaar was. De derde keer zei ik ja. Want ik was bang dat ze jou iets zouden aandoen. Begrijp je me nog, Eliza?" Ik knik. Maar als ik mijn mond open doe om iets te vragen, onderbreekt Finnick me. En hij geeft antwoord op wat ik had willen vragen. "Je vraagt je natuurlijk af wat het Capitool van me vraagt." Zegt hij gespannen. Het valt me op dat hij een stuk bleker is dan hij een paar minuten geleden was. "Elizabeth... President Snow verkoopt mij. Mijn lichaam." Nu is het mijn beurt om te verbleken. Mijn mond valt open, maar er komt geen woord uit. "En elk jaar, elke keer dat ik terug moet naar het Capitool om mentor te zijn of.. mijn lichaam te verkopen, ben ik bang. Bang voor wraak van het Capitool. Dat ze jou toch nog iets aan doen. Omdat ik er niet direct mee akkoord ging. Daarom neem ik je mee. Omdat ik je dan toch een beetje kan beschermen." Mijn mond hangt nog steeds wijd open en een flauwe glimlach verwarmd het gezicht van mijn broer. "Doe je mond eens dicht, uilskuiken," zegt hij lief. "Finn," zeg ik zwakjes. "Je verkoopt je lichaam... zodat het Capitool mij niets aandoet?"

Ik zucht. Elke keer dat ik aan die avond terugdenkt, voel ik die pijn weer, het verdriet dat ik altijd voel als ik aan de dood van mijn ouders denk, de angst dat Finnick iets overkomt. En vooral dat laatste. Want als Finnick dood gaat, of me op de een of andere manier verlaat, ben ik helemaal alleen. En hetzelfde geld voor hem. Als ik doodga in de Spelen, is hij helemaal alleen. Qua familie dan. We hebben natuurlijk Annie nog, en Mags. Maar dat is ook alles. Op de een of andere manier mochten de mensen in District 4 ons nooit. Mij niet, Finnick niet, onze ouders niet. Ze zeiden dat ze ons arrogant vonden. Asociaal. Maar wij wisten wel beter. De meeste mensen waren gewoon jaloers. Jaloers op mijn vaders bronzen haar en mijn moeders gouden haar. Jaloers op de spieren van mijn vader en mijn moeders slanke, elegante figuur. Jaloers op ons zwemtalent. Jaloers op het feit dat wij onszelf in leven wisten te houden, met mijn vader en broer die visten, en mijn moeder en ik die jaagden. Ik zit nog steeds diep in gedachten en schrik wanneer Finnick ineens, zonder waarschuwing, recht tegenover me gaat zitten. Zonder iets te zeggen kijkt hij me aan. "Het was te verwachten," zeg ik zwakjes. Zwijgend knikt hij. Dan schraapt hij zijn keel en zegt hij: "Alleen hadden we er niet op gerekend dat Isaac jouw districtpartner zou worden." "Nee," fluister ik. Dan kijk ik hem aan. "Finnick.. Ik wil niet dat Isaac dood gaat. Zijn familie heeft hem nodig..." Dat is zo. Isaac heeft drie jongere broertjes en een jong zusje, nog maar een jaar oud. Zijn moeder overleed vlak nadat zij geboren werd. En veel geld hebben ze niet; ze leven van de vis die Isaac en zijn vader vangen en het geld dat Finnick ze geeft, ook al staat Isaac daar niet altijd voor open. Ik dacht dat Finnick me wel zou begrijpen, dat hij zou zeggen dat hij me ontzettend veel zou gaan missen, maar dat ik zo veel mogelijk moest doen om Isaac terug thuis te krijgen. Maar dat doet hij niet. Sterker nog, hij begint hevig te protesteren. "Eliza! Je mag niet doodgaan! Ik snap dat het moeilijk is om met je beste vriend in de arena te gaan, maar je mag jezelf niet gaan opofferen! En... als jij dood zou gaan.. ik zou niemand meer hebben, Eliza. Niemand." Wanhopig kijkt hij me aan. "Je hebt Annie toch, Finn? En Mags? Ik bedoel-" "Maar dat is niet hetzelfde, Eliza. Jij bent mijn zus. Je bent de enige familie die ik nog heb, en als jij ook sterft zal ik-" "Hallo allemaal!" Finnick en ik kijken verschrikt op als de overenthousiaste Ally vrolijk binnen komt waggelen, gevolgd door Annie, Mags en Isaac. Alsof er niets aan de hand is. Met een vrolijke lach neemt Ally plaats aan mijn rechterkant, terwijl ze druk tegen Annie en Mags kletst, die allebei een beetje afwezig naast Finnick gaan zitten. Isaac gaat naast mij zitten en geeft me een kneepje in mijn hand. En bemoedigend kneepje. Eentje die zegt; 'maak je maar geen zorgen, het komt allemaal wel goed'. Dankbaar kijk ik in zijn lichtbruine ogen. Isaac glimlacht, laat mijn hand los en kijkt dan vol bewondering naar al het eten dat word geserveerd.