Boem boem. Boem boem.

Op dit moment is het kloppen van mijn hart alles wat tot me doordringt.

Ik sta in de glazen buis die me naar de arena zal brengen, wachtend tot er enige beweging in komt.

"Tributen naar arena in 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1, 0."

Zegt een monotone vrouwenstem. Als de stem 'nul' heeft gezegt, voel ik hoe de ijzere plaat onder mij langzaam naar boven beweegt.

Ik sluit mijn ogen en denk aan de dingen die Finnick me vanochtend heeft verteld, vlak voordat Isaac en ik naar de arena werden gebracht.

"Als je in de arena bent, heb je zestig seconden om de arena vanaf je plaat te verkennen. Zorg dat je daar gebruik van maakt. Ga niet op zoek naar Isaac of een van de andere tributen. En als je het kanonschot hoort, ga je meteen naar de Hoorn des Overvloeds voor wapens. Meteen. Begrepen?" "Begrepen."

Ik zucht en doe een schietgebedje, terwijl de plaat nog steeds langzaam stijgt.

Hopelijk is er in de arena water.

Een zee, of voor mijn part een groot meer.

Dat zou de kansen van mij en Isaac om te winnen zoveel vergroten.

Er gaat een koude rilling door me heen als ik denk aan de arena. Ik heb niet veel aanwijzingen over de situatie in de arena gevonden aan de hand van mijn kleding. Ik heb van Adam, mijn stylist, een simpel setje kleding gekregen: een strakke maar comfortabele donkerblauwe spijkerbroek met stevige riem, een zwart strak hempje, een dun, zwart vliesvest met capuchon en districtnummer op mijn rechterborst. Mijn voeten zijn ingepakt met een dik paar sokken en zwarte, leren enkellaarsjes met stevige zolen. Mijn haar is strak achter op mijn hoofd ingevlochten, een kenmerk dat we met de Beroeps hebben afgesproken als teken dat we bij elkaar horen. Bij de jongens was het iets moeilijker om een kenmerk te vinden, maar uiteindelijk hebben de jongens allemaal als Districtaandenken een leren armband voor om hun rechterpols meegenomen.

De kleding zou van alles kunnen betekenen; bergen, een bos, een strand, noem maar op. Daar heb ik dus niet echt veel aan.

Laat het alsjeblieft een zee zijn. Met een fatsoenlijk strand en bos om eten te vinden.

Op het moment dat ik dat denk, hoor ik een zacht gezoem boven me. Als ik mijn ogen open, word ik verblind door een fel licht. Een frisse, onbekende geur bereikt mijn neus.

Nee, denk ik. Alsjeblieft geen bergen.

Maar al voordat mijn hoofd de rand van de opening bereikt, zie ik de toppen van gigantische bergen om me heen oprijzen.